Selecteer een pagina

In de serie Zijn-verhaal/Haar-verhaal beschrijven we dezelfde situatie vanuit twee gezichtspunten.
Lees hier Haar-verhaal over vrijwillig uit het klimrek vallen
.

Ik sta onderaan een piramidevormige touwconstructie waar mijn jongste zoon in naar boven klimt. In mijn ogen is het klimtoestel tientallen meters hoog en is mijn zoon niet meer dan een klein stipje daarboven, nauwelijks zichtbaar.

‘Kijk papa, ik ben boven!’ Hij zwaait naar me terwijl hij op en neer springt op het touw dat zo lekker meeveert. In mijn hoofd speelt zich een rampscenario af en mijn hart slaat een slag over. Ik zie hem al van het touw afglijden en naar beneden storten. ‘Hé, hou je je goed vast! Het is heel hoog hoor! Niet zo springen!’ roep ik.

Ik voel me opgelucht als hij weer naar beneden komt klimmen en voel dat ik hem er op aan wil spreken. Dan betrap ik mezelf.

Want wie spreek ik eigenlijk toe?

Denk ik echt dat mijn zoon zelf niet in de gaten heeft dat het hoog is daarboven? Dat hij geen reflex heeft om zich stevig vast te houden als hij daar klimt? Het is tot nu toe nog nooit misgegaan. Maar komt dat doordat ik daar onderaan sta te roepen, of omdat hij daar zelf voor zorgt?

Als ik me in hem verplaats en bedenk hoe ik daarboven zou staan, dan kan ik me nauwelijks voorstellen dat ik niet goed zou kijken waar ik sta of dat ik me niet goed vast zou houden. Dus waarom zou ik hem daarop moeten wijzen?

Waarom roep ik hou je goed vast?

Volgens mij ligt het er niet aan dat ik denk dat hij niet weet hoe hij moet klimmen, maar dat ik denk aan de mogelijke gevolgen voor mij, mocht er iets misgaan. Stel nou dat hij naar beneden valt. Wat dan? ‘Je moet er toch niet aan denken!’ Nou, dat doe ik dus wel.

‘Dan breekt hij wat, en heeft hij heel veel pijn. Ik wil niet dat hij pijn heeft. En dan moeten we naar het ziekenhuis…’ En ook gedachten die we minder fraai van onszelf vinden: ‘…en de oudste moet straks van school gehaald. En volgende week gaan we op vakantie. En wat zullen mijn ouders wel niet van me denken. Of de buren.’

Al deze gedachten gaan zo snel dat ik ze niet eens bewust meemaak. Maar ze leiden wel tot dat gevoel van onrust, of angst. Ik zie hem klimmen, maar in mijn hoofd zit ik al naast het ziekenhuisbed met de kinderbescherming te praten.

Geen controle, wel vertrouwen

In plaats van de boel onder controle te willen houden is het veel fijner en makkelijker om te vertrouwen. Ik vertrouw erop dat mijn zoon zelf de wijsheid heeft om naast lekker te klieren in een klimrek, ook door te hebben dat het best wel hoog is daarboven. En te ontdekken hoe je met die spanning om kunt gaan.

En misschien nog wel rustgevender: ik vertrouw er ook op dat, mocht er iets gebeuren, ik op dat moment weet wat ik moet doen. Ik hoef niet nu al eindeloze rampscenario’s in mijn hoofd uit te denken: als het moment daar is, dan zal ik weten wat ik moet doen. Dat geeft een hoop rust in mijn hoofd!

Inmiddels staat mijn zoon weer naast me op de grond.

‘Dat was hoog hè papa?’ zegt hij buiten adem. En weg is hij, op naar het volgende speeltoestel.

Wil je meer Makkelijke Relaties?

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en ontvang het eerste hoofdstuk van Makkelijke relaties in de liefde gratis in je inbox!

Makkelijke relaties in de liefde te koop