Selecteer een pagina

Het is vrijdagavond en de kinderen logeren bij opa en oma. We hebben heerlijk een avondje vrij en dus gaan we uit! Merel rijdt naast me op de fiets met een slordige zestig kilometer per uur richting de stad.

‘Pffft, fiets eens wat rustiger!’ zucht ik, ‘ik ben een beetje gaar vandaag…’

Ze zegt niks, maar haar gezicht betrekt.

‘Wat?’ vraag ik.

‘Ja, jij bent altijd moe als we uitgaan.’

Daar ben ik even stil van

Ben ik echt altijd moe als we uitgaan?

Zo had ik het nog nooit bekeken. Nu ik er zo over nadenk, er zit wel wat in. Ik ben inderdaad vaak moe als we ’s avonds ergens naar toe gaan. Niet alleen als we de stad in gaan, maar ook als we bij iemand anders gaan eten.

Heb ik een probleem? Moet ik iets veranderen? Ben ik ziek? Moet ik naar de dokter? Misschien heb ik wel Lyme. Ik had toch laatst een teek? De gedachtentrein komt al lekker op stoom.

Maar wacht even. Ben ik niet eigenlijk gewoon altijd ’s avonds moe aan het einde van de week? Als we vrijdag ’s avonds thuis aan het avondeten zitten dan bruis ik ook niet bepaald van de energie. Maar daar heb ik nog nooit commentaar op gehad.

Wat is het verschil? Volgens mij zit het in de verwachting van de situatie. Waarschijnlijk heeft Merel al een beeld van de avond in haar hoofd gevormd en een vermoeide Mikal is niet bepaald een onderdeel van dat ideaalbeeld. De keren dat ik zei dat ik moe was, zullen daardoor misschien meer bijblijven dan de keren dat ik dat niet heb gezegd.

Hoe moet dat nu verder dan?

Mag ik nu nooit meer zeggen dat ik moe ben wanneer we uitgaan? Of moet ik gaan doen alsof ik niet moe ben? Moet ik naar de dokter omdat ik zo vaak ’s avonds moe ben? Of tegen Merel zeggen dat ze zich niet zo aan moet stellen? Er een blogstukje over schrijven?

Op het moment dat we daar fietsen kan ik er eigenlijk niks mee. Want als ik over de dokter begin wordt het niet veel gezelliger. Als ik haar zeg dat ze niet moet zeuren ook niet, en vanuit irritatie een discussie vol argumenten beginnen is nooit een goed idee.

Maar ik hoef er ook niks mee!

Want Merel spreekt dit uit vanuit een irritatie die ze op dat moment heeft. En dat zegt helemaal niks over mij, of over de avond die nog gaat komen. Er is geen verzet nodig, geen ruzie, geen gedoe.

‘Oh ja,’ zeg ik, en we fietsen verder.

Uiteindelijk wordt het een gezellige avond.